Ga naar inhoud

Prompts voor de leerling zelf

Het doel van deze hele map. Alles ervoor is voorbereiding; dit is waar het naartoe gaat: een leerling die zijn eigen leermateriaal maakt en niemand meer nodig heeft om te oefenen. Vanaf ongeveer 13 jaar, met een account dat een volwassene mee opzette. Jonger: de volwassene bedient de tool.


Hoe je dit overdraagt

Niet door de prompts te geven. Wel door dit:

  1. Laat hem het resultaat zien van iets wat jij maakte. Niet uitleggen — tonen.
  2. Doe het één keer samen, met hem aan het toetsenbord en jij ernaast.
  3. Geef hem de prompt om te bewaren op zijn telefoon.
  4. Bemoei je er daarna niet meer mee.

Stap 4 is de moeilijkste en de belangrijkste.


De vijf prompts die hij nodig heeft

Print of stuur deze door. Ze zijn geschreven om rechtstreeks door de leerling gebruikt te worden.

1. Overhoor mij

Overhoor mij over [ONDERWERP].
Stel één vraag tegelijk en wacht op mijn antwoord.
Geef daarna feedback op wat ik schreef: wat klopte, wat miste.
Geef me het antwoord NIET voor ik zelf geprobeerd heb.
Na 10 vragen: zeg me wat ik nog moet herhalen.

Waarom dit werkt: jezelf overhoren is de best onderbouwde studiemethode die bestaat, en de meeste leerlingen doen het niet omdat ze er niemand voor hebben. Nu wel — met oneindig geduld, zonder publiek, zonder oordeel.

2. Leg het uit alsof ik het nog niet weet

Leg [ONDERWERP] uit alsof ik het voor het eerst hoor.
Gebruik korte zinnen van maximaal 10 woorden.
Eén idee per zin. Geen moeilijke woorden zonder uitleg.
Geef daarna een voorbeeld uit het dagelijks leven.
Vraag me op het einde of ik het snap, en stel dan één controlevraag.

3. Klopt mijn redenering?

Ik denk dat [MIJN REDENERING].
Val mijn redenering aan met de sterkste tegenargumenten.
Zeg niet dat ik gelijk heb als dat niet zo is.

Waarom dit werkt: AI is geneigd je gelijk te geven. Deze prompt zet dat uit. Voor wie leert argumenteren of wetenschappelijk denken, is dit de nuttigste zin uit deze hele map.

4. Waar loop ik vast?

Ik studeer [ONDERWERP] en ik snap [DIT STUK] niet.
Stel me eerst 3 vragen om te ontdekken waar het precies misloopt.
Leg pas daarna uit, en alleen het stuk dat ik echt niet snap.
Niet het hele hoofdstuk.

5. Maak er iets van dat ik kan gebruiken

Maak flashcards over [ONDERWERP].
Voorkant: een vraag van maximaal 10 woorden.
Achterkant: een antwoord van maximaal 20 woorden, in gewone taal.
Eén ding per kaart. Gebruik de woorden uit mijn cursus.

Wat hij moet weten voor hij begint

Vier dingen. Vertel ze één keer, kort.

1. Het klinkt altijd zeker, ook als het fout is. Kijk na of het klopt met je cursus. Als het verschilt: je cursus wint, want daarop word je getoetst.

2. Als je het laat maken, leer je niets. Laat het je overhoren, niet je taak schrijven. Je merkt het verschil pas op de toets, en dan is het te laat.

3. Zet er geen persoonlijke dingen in. Niet over jezelf, niet over anderen. Geen namen, geen verslagen, geen foto's.

4. Als je je slecht voelt, praat met een mens. Een chatbot is geen vriend en geen hulpverlener, ook al voelt het soms makkelijker. Ga naar iemand thuis, een leerkracht, het CLB.


Voor wie moeilijk leest

De vier prompts hierboven vragen dat je typt en leest. Als dat net het probleem is, begin dan hier:

a) Laat de leerstof voorlezen. Zie 02-notebooklm-leerpakket.md — video en podcast van je eigen cursus.

b) Gebruik spraak. De meeste AI-apps hebben een microfoonknop. Inspreken werkt even goed als typen, en soms beter, omdat je zegt wat je bedoelt in plaats van wat je kunt spellen.

c) Vraag het kort.

Leg dit uit in 5 korte zinnen. Maximaal 10 woorden per zin.


Zo weet je of het werkt

Voor de leerling zelf, één simpele check:

Kun je het uitleggen aan iemand die het niet weet, zonder ergens naar te kijken?

Zo ja: je kent het. Zo nee: je herkent het alleen, en dat is niet hetzelfde. Overhoor jezelf nog eens.

En voor de volwassene: tel hoe vaak hij het zelf opzet zonder dat jij het vraagt. Dat getal is het enige dat telt.


Verder