Ga naar inhoud

Autismespectrum

Wat het functioneel betekent — informatie wordt anders geordend. Voorspelbaarheid, letterlijkheid, detail vóór geheel, en een prikkelverwerking die sneller vol zit. Het is geen gebrek aan inlevingsvermogen en geen onwil. Waar AI het verschil maakt — expliciet maken wat voor anderen impliciet is: verwachtingen, sociale scripts, wat er precies gaat gebeuren, en wat "goed" eruitziet.


1. Wat de leerling ervaart

  • Een onaangekondigde wijziging in het uurrooster die de rest van de dag onbruikbaar maakt.
  • Instructies die letterlijk landen: "schrijf iets over de industriële revolutie" levert één zin op, en dat is een correct antwoord.
  • Een opdracht niet kunnen starten omdat onduidelijk is wanneer ze af is.
  • Prikkels die anderen niet opmerken en die hier alle capaciteit opeisen: geluid van de gang, tl-licht, geur, een druk werkblad.
  • Vermoeidheid door de hele dag te compenseren, met een uitbarsting of een instorting thuis.

Het cruciale inzicht: het gaat zelden om het niet-kunnen en bijna altijd om het niet-weten wat verwacht wordt. Explicitering is de kerninterventie.


2. Waar AI het verschil maakt

Toepassing Waarom dit werkt
Wat & Hoe expliciet maken De leerling weet wat komt, wat af is, en wanneer het klaar is
Beoordelingscriteria concreet maken "Een goede tekst" is geen criterium; 5 afvinkbare punten wel
Sociale verhalen en scripts Wat anderen impliciet leren, wordt hier geleerd
Overgangen voorbereiden Het moment waarop het het vaakst misgaat
Prikkelarm materiaal Minder op het blad, meer capaciteit voor de inhoud

3. Vijf prompts

a) Wat & Hoe, altijd

Zet deze opdracht om volgens dit stramien:
1. WAT ga ik doen — één zin, ik-vorm, concreet
2. WAT heb ik nodig — opsomming
3. HOE — genummerde stappen, max 8 woorden, één handeling per stap
4. KLAAR ALS — 3 controlepunten, concreet en zichtbaar
5. HOE LANG — een tijdsindicatie per stap

Geen inleiding, geen motivering, geen "leuk hè".
Geen figuurlijke taal, geen ironie, geen open formuleringen als
"iets over" of "een beetje".
[opdracht]

b) "Goed" concreet maken

Voor deze opdracht: [opdracht]. Wat maakt een antwoord goed?
Geef 6 afvinkbare criteria in concreet waarneembaar gedrag
("mijn tekst bevat 3 argumenten, elk met één voorbeeld"), niet in
kwaliteitswoorden ("goed onderbouwd", "verzorgd", "voldoende diep").
Voeg een voorbeeld toe van een antwoord dat aan alle criteria voldoet.
Vage kwaliteitswoorden zijn voor deze leerlingen geen richtlijn maar een raadsel.

c) Sociale verhalen en scripts

Schrijf een sociaal verhaal voor een jongere van [leeftijd] over
[situatie: groepswerk, een fout maken, om hulp vragen, een wijziging
in het uurrooster, een discussie in de klas].
Regels: ik-vorm, tegenwoordige tijd, korte zinnen, eerst beschrijvend
(wat gebeurt er), dan sturend (wat doe ik dan), geen morele les,
geen overdrijving, geen uitroeptekens. Max 12 zinnen. Eindig rustig.

d) Overgangen voorbereiden

Een leerling van [leeftijd] loopt vast bij overgangen: [welke —
tussen vakken, na de speeltijd, bij een wijziging].
Geef 5 aanpassingen die de leerkracht in de gewone klaswerking kan doen:
vooraf aankondigen, tussenstap inbouwen, vast ritueel, visuele planning,
en wat te doen als de wijziging niet aangekondigd kon worden.
Per aanpassing: wat hij concreet doet, in max 3 zinnen.

e) Prikkelarm materiaal

Herwerk dit werkblad prikkelarm: één taak per blok met witruimte,
geen decoratieve afbeeldingen, geen kleuren die niets betekenen,
één lettertype, links uitgelijnd, instructie bovenaan in max 12 woorden.
Behoud alle inhoud.
Zeg me wat je weghaalde en welke elementen wél betekenis droegen.
[werkblad]


4. Wat je niet doet

  • De diagnose als gebruiksaanwijzing gebruiken. De spreiding binnen het spectrum is enorm. Wat hier staat, toets je aan déze leerling.
  • Oogcontact afdwingen. Het kost capaciteit die dan niet naar luisteren gaat.
  • Onaangekondigd wijzigen wat je aankondigde. Als het toch moet: benoem de wijziging, zeg wat wél gelijk blijft.
  • Figuurlijke taal gebruiken in instructies. "Werk het even af" en "kijk er nog eens naar" zijn geen opdrachten.
  • Sociale vaardigheden trainen als het echte probleem prikkels of onduidelijkheid is. Dat is de meest gemaakte verkeerde interventie.
  • AI als sociale gesprekspartner aanbieden. Het risico op onterechte gehechtheid is bij deze leerlingen reëel, en het vervangt de oefening met mensen die ze nodig hebben.
  • Emotieherkenning. Verboden onder de AI Act, en bij deze doelgroep bovendien systematisch onbetrouwbaar, want de uiting wijkt af van de norm waarop zulke systemen getraind zijn.

5. Zo zie je dat het werkt

  • Opstart na een instructie: hoeveel opdrachten start de leerling zelfstandig correct? Meet over een week, voor en na het Wat & Hoe-stramien.
  • Herstel na een overgang: hoeveel minuten voor de leerling weer meedoet? Dit getal daalt zichtbaar bij goede voorbereiding.
  • Aantal verduidelijkingsvragen over wat verwacht wordt. Dat hoort te dalen — niet omdat hij minder vraagt, maar omdat het al duidelijk was.
  • Voltooiing van opdrachten met expliciete "klaar als"-criteria versus zonder.

6. Vaak in combinatie met

ADHD (zeer frequent, en de aanpassingen spreken elkaar deels tegen — zie 10-combinaties.md), hoogbegaafdheid (zie 11-dubbel-bijzonder.md), DCD, angst, en prikkelverwerkingsproblemen die apart aandacht vragen.


Verder