Ga naar inhoud

Kernprincipes — lees dit eerst

Zonder dit hoofdstuk zijn de andere handleidingen in deze map onbruikbaar. Het duurt zeven minuten.


1. Je werkt met functioneren, niet met labels

Een diagnose zegt waar een leerling recht op heeft. Ze zegt bijna niets over wat je morgen anders moet doen.

Twee leerlingen met dezelfde diagnose kunnen tegengestelde noden hebben. De ene leerling met ADHD heeft meer structuur nodig, de andere verstikt in structuur en heeft beweging nodig. De ene leerling met autisme wil alle informatie vooraf, de andere raakt overweldigd door diezelfde informatie.

Dus: beschrijf wat je ziet, niet wat er op het attest staat.

Niet dit Wel dit
"leerling met dyslexie" "een leerling van 12 die woord voor woord leest en aan het einde van een alinea niet meer weet wat er stond"
"ADHD, medicatie 's ochtends" "een leerling van 10 die vlot start maar na vijf minuten afhaakt, en die in de namiddag merkbaar meer moeite heeft"
"ASS, type 9" "een jongere van 15 die vaste volgorde nodig heeft, letterlijk interpreteert en na een onaangekondigde wijziging de rest van het uur niet meer meedoet"

Dit is niet alleen privacyveilig — het levert beter materiaal op. Het dwingt je om precies te benoemen waar het misloopt, en dat is de helft van de oplossing.


2. Compenseren, remediëren, dispenseren — drie verschillende dingen

Ze worden voortdurend door elkaar gehaald, en dat leidt tot materiaal dat niets oplost.

Wat het is Wat AI kan Voorbeeld
Remediëren De onderliggende vaardigheid oefenen tot ze beter gaat Zeer veel: oefenmateriaal in twintig varianten, gerichte reeksen per misvatting Klankstructuur oefenen bij dyslexie
Compenseren Een hulpmiddel gebruiken zodat de drempel wegvalt Veel: teksten herschrijven, voorlezen, stappenplannen Voorleessoftware
Dispenseren Iets niet moeten doen Niets — dat is een beslissing van de klassenraad Vrijstelling van hardop lezen

De vuistregel: remediëren zolang de vaardigheid nog groeit, compenseren voor alles wat ondertussen doorloopt. Een leerling die nog aan zijn lezen werkt, moet ondertussen wél geschiedenis kunnen leren. Die twee sporen lopen naast elkaar, niet na elkaar.

De meest gemaakte fout: alléén remediëren, waardoor de leerling jarenlang inhoudelijk achterop raakt in álle vakken terwijl er aan één vaardigheid gewerkt wordt.


3. Vereenvoudig de toegang, niet de eisen

Dit is de belangrijkste zin van deze map.

Toegang vereenvoudigen = de tekst korter zinnen geven, de opdracht opsplitsen, voorlezen, meer tijd, een stappenplan, minder prikkels op het blad.

Eisen verlagen = minder leerstof, makkelijkere vragen, een lager denkniveau.

Het eerste is een recht. Het tweede is een beslissing die alleen genomen wordt in een handelingsplan of IAC, door mensen die daarvoor bevoegd zijn, en zelden.

Leerlingen voelen het verschil onmiddellijk. Wie merkt dat hij de makkelijke versie krijgt, leert vooral iets over hoe jij hem inschat.

Zet daarom in elke prompt letterlijk: "de inhoud en de moeilijkheidsgraad blijven identiek; alleen de toegang verandert."


4. Wat AI hier nooit doet

  • Diagnosticeren of classificeren. Ook niet indirect, ook niet als "wat zou dit kunnen zijn", ook niet als tweede mening naast het CLB. AI herkent patronen in tekst; ze onderzoekt geen kind.
  • Adviseren over doorverwijzing, oriëntering of schoolloopbaan.
  • Emotie of betrokkenheid meten. Emotieherkenning in onderwijsinstellingen is verboden onder de AI Act (art. 5). Weiger elke tool die het aanbiedt, hoe overtuigend de demo ook is.
  • Gesprekspartner zijn over welbevinden, faalangst of somberheid. Bij leerlingen met hechtings- of contactproblematiek is het risico op onterechte gehechtheid reëel.
  • De leerling kennen. AI weet niet dat deze leerling op dinsdag na de turnles niets meer opneemt. Jij wel. Dat oordeel besteed je niet uit.

5. De privacyregel, kort

Nooit invoeren: namen, geboortedata, klas- of schoolnaam, diagnoses, verslagen, attesten, handelingsplannen, IAC's, CLB-nota's, medische of therapeutische informatie, foto's, werk van een leerling met naam erop.

Altijd: de functionele omschrijving uit punt 1.

Test: zou een collega uit jouw omschrijving kunnen raden over wie het gaat? Dan is ze niet anoniem genoeg.

Volledig kader: ../00-start-hier/02-wat-mag-en-wat-niet.md.


6. Het basissjabloon dat overal werkt

Ik maak materiaal voor een leerling van [leeftijd] in [niveau/richting].

Functioneren: [wat de leerling doet en waar het misloopt — geen diagnose].
Wat al lukt: [sterktes; hier hang je nieuw leren aan op].
Waar het misloopt: [zo concreet mogelijk, één of twee dingen].

Opdracht: [wat je wil].

Vormeisen: max [8/10/12] woorden per zin, één idee per zin, actieve vorm,
opsommingen in plaats van alinea's, witruimte tussen de delen,
vaktermen behouden met bij eerste gebruik één korte uitleg.

De inhoud en de moeilijkheidsgraad blijven IDENTIEK. Alleen de toegang verandert.

Zeg me daarna welke onderdelen ook zonder aanpassing al iets anders
testten dan bedoeld.

Die laatste regel levert je telkens opnieuw het inzicht op dat je materiaal al langer meet wat je niet wilde meten.


7. Hoe je weet of het werkt

Cijfers zijn hier zelden de juiste maat. Deze vier wel, en ze komen in elke handleiding terug:

  1. Zelfstandigheid — aantal tussenkomsten bij dezelfde soort opdracht, deze week versus vier weken geleden.
  2. Voltooiing — hoeveel opdrachten maakt de leerling helemaal af? Halverwege afhaken is bijna altijd een toegangsprobleem, geen motivatieprobleem.
  3. Het gat tussen mondeling en schriftelijk — toets hetzelfde onderdeel op beide manieren. Het verschil is de omvang van de drempel. Krimpt dat gat, dan werkt je aanpassing. Dit is de eerlijkste meting die er bestaat.
  4. Retentie na een vakantie — de harde test voor alles wat op automatiseren mikt.

Verder