De kern — voor elke leerondersteuner, op elk niveau¶
Lees dit vóór het niveaubestand. Alles hierna bouwt hierop verder.
1. Waarom jouw positie anders is dan die van een leerkracht¶
Drie verschillen bepalen alles:
a) Je hebt de gevoeligste informatie van de school. Verslagen, IAC's, handelingsplannen, CLB-nota's, medische en therapeutische gegevens. Dat zijn bijzondere persoonsgegevens (art. 9 AVG). Voor een vakleerkracht is de privacyregel een aandachtspunt; voor jou is ze de eerste vaardigheid.
b) Je werkt indirect. Je ziet een leerling twee uur per week; de leerkracht ziet hem twintig. Materiaal dat jij maakt en dat de leerkracht niet overneemt, verdampt. Je grootste winst zit niet in wat je maakt, maar in wat je een leerkracht leert maken.
c) Je werkt over scholen en niveaus heen. Wat je voor de ene leerling ontwierp, is met kleine aanpassingen bruikbaar bij de volgende. Dat hergebruik was tot nu toe handwerk. Nu niet meer, en dat is waar je uren terugwint.
2. De anonimiseringsreflex — jouw belangrijkste vaardigheid¶
Wat je nooit invoert: namen · geboortedata · school- of klasnaam · diagnoses · verslagen, attesten, IAC's, handelingsplannen · CLB-informatie · medische, therapeutische of levensbeschouwelijke gegevens · foto's · werk van een leerling met identificerende gegevens · gezinssituatie, verblijfsstatus, hulpverleningsdossiers.
Wat je wél invoert — de functionele omschrijving. Vervang de persoon door het functioneren:
| Niet dit | Wel dit |
|---|---|
| "Lars, 3e leerjaar, dyslexie, verslag CLB" | "Een kind van 9 dat traag en moeizaam leest en woorden verkeerd inschat" |
| "leerling met ASS en IQ 71" | "Een jongere van 15 die vaste structuur nodig heeft, moeite heeft met abstracte taal en snel overprikkeld raakt" |
| "handelingsplan van Amina, zie bijlage" | "Doelen: zelfstandig starten aan een opdracht, en een taak afmaken zonder tussenkomst" |
| "hij was gisteren weer weggelopen na de turnles" | "Een leerling die na overgangsmomenten met veel prikkels moeilijk terugkeert in de klas" |
Het resultaat is even bruikbaar. Dat is het punt: je verliest niets aan kwaliteit, je verliest alleen de identificeerbaarheid. Test het één keer met een leerling die je goed kent — je zult zien dat de functionele omschrijving zelfs beter materiaal oplevert, omdat ze je dwingt scherp te benoemen waar het precies om gaat.
Ezelsbruggetje: als een collega je omschrijving zou lezen en zou kunnen raden over wie het gaat, is ze niet anoniem genoeg.
3. Je drie werkstromen¶
Werkstroom 1 — materiaal aanpassen (het snelst renderend)
De klassieke leerondersteunertaak: een tekst, toets of opdracht toegankelijk maken. Dit kostte je twintig minuten per document; nu twee.
Herschrijf deze [tekst/opdracht/toets] voor een leerling van [leeftijd]
die [functionele omschrijving].
Regels: max [8/10/12] woorden per zin, één idee per zin, actieve vorm,
opsommingen in plaats van alinea's, witruimte tussen de delen,
vaktermen behouden met bij eerste gebruik één korte uitleg.
De inhoud en de moeilijkheidsgraad blijven IDENTIEK. Verlaag niets.
Zeg me daarna welke onderdelen ook zonder aanpassing al een
lees- of taalprobleem testten in plaats van een vakprobleem.
Die laatste vraag is jouw beste argument in een gesprek met een leerkracht: je toont dat de toets iets anders maat dan hij denkt.
Werkstroom 2 — de leerkracht coachen (de grootste hefboom)
Je doel is niet dat jij het materiaal maakt, maar dat de leerkracht het kan. Geef hem één prompt die hij zelf kan hergebruiken, en laat hem de eerste keer naast je zitten.
Ik coach een leerkracht [vak, niveau] die één leerling in zijn klas
heeft die [functionele omschrijving].
Geef me 5 aanpassingen die hij in zijn gewone lespraktijk kan doen,
zonder extra voorbereidingstijd en zonder de leerling apart te zetten.
Per aanpassing: wat hij concreet anders doet, waarom het werkt,
en waaraan hij merkt of het helpt.
Werkstroom 3 — je eigen instrumentarium opbouwen
Bouw één keer een set die je bij elke nieuwe leerling hergebruikt: stappenplansjabloon, herschrijfprompt, trap-van-moeilijkheidsgraad, overlegvoorbereiding. Bewaar ze in een tekstbestand met jouw vaste context bovenaan. Na drie maanden is dat je waardevolste werkinstrument.
4. De vier prompts die je op elk niveau gebruikt¶
De trap van moeilijkheidsgraad
Neem deze ene vaardigheid: [vaardigheid].
Splits ze in 6 tussenstappen, van de meest elementaire handeling tot
de volledige vaardigheid. Per stap: wat de leerling precies doet,
welke ondersteuning hij nog krijgt, en waaraan ik observeerbaar zie
dat hij klaar is voor de volgende stap.
Het stappenplan (Wat & Hoe)
Zet deze opdracht om in:
1. WAT ga ik doen — één zin, ik-vorm
2. WAT heb ik nodig — opsomming
3. HOE — genummerde stappen, max 8 woorden per stap, tijd per stap
4. KLAAR ALS — 3 afvinkbare controlepunten
Neutrale toon, geen aanmoedigingen, geen uitroeptekens.
[opdracht]
Overleg voorbereiden
Ik bereid een overleg voor met [leerkracht / ouders / zorgteam] over
een leerling die [functionele omschrijving].
Geef me: 8 vragen die ik moet kunnen beantwoorden, 5 observaties die
ik best vooraf verzamel, en 3 reacties die ik kan verwachten met hoe
ik zakelijk en respectvol blijf. Alleen de structuur — ik vul zelf in.
De denkfout achter de fout
Een leerling van [leeftijd] maakt bij [onderwerp] deze fouten:
[foutpatroon, geanonimiseerd].
Welke onderliggende misvatting verklaart ze het best? Geef per
misvatting één oefening van 5 minuten die precies dát aanpakt —
geen extra oefening van hetzelfde.
5. Wat AI in jouw werk nooit doet¶
- Diagnosticeren of classificeren. Ook niet suggestief, ook niet "wat zou dit kunnen zijn".
- Adviseren over doorverwijzing, oriëntering of onderwijsloopbaan.
- Emotie of betrokkenheid van leerlingen meten. Dat is verboden onder de AI Act (art. 5): emotieherkenning in onderwijsinstellingen. Weiger elke tool die het claimt.
- Gesprekspartner zijn voor een leerling over welbevinden, thuissituatie of psychisch lijden. Bij leerlingen met hechtings- of contactproblematiek is het risico op onterechte gehechtheid reëel.
- De leerling kennen. AI weet niet dat deze jongere op dinsdag na de turnles niets meer opneemt. Jij wel. Dat blijft de kern van je vak.
6. Hoe je aantoont dat het werkt¶
Leerondersteuning meet je niet met cijfers. Deze vier wel, op elk niveau:
1. Zelfstandigheid. Hoeveel keer moest er tussengekomen worden bij dezelfde soort opdracht, deze week versus vier weken geleden? Dalen is winst.
2. Voltooiing. Hoeveel opdrachten maakt de leerling helemaal af? Halverwege afhaken is bijna altijd een toegangsprobleem, geen motivatieprobleem.
3. Het gat tussen mondeling en schriftelijk. Toets hetzelfde onderdeel één keer mondeling en één keer schriftelijk. Het verschil is de omvang van de drempel. Krimpt dat gat, dan werkt je aanpassing. Dit is de eerlijkste meting die er voor deze doelgroep bestaat.
4. Overname door de leerkracht. Hoeveel van je aanpassingen past hij toe als jij er niet bent? Dit is jouw eigenlijke resultaatindicator. Alles wat alleen werkt als jij aanwezig bent, is nog geen ondersteuning.
Verder¶
- Je niveaubestand in deze map — zie
README.md - Leerstoornissen inhoudelijk:
../03-doelgroep/03-leerstoornissen-en-leersteun.md - Privacy en AI Act in detail:
../00-start-hier/02-wat-mag-en-wat-niet.md - Zelf oefenapps bouwen:
../06-goed-gebruik/04-van-prompt-naar-oefenapp.md